Tekst Let Dillen – Foto’s © Clara De Vos
We omringen ons er dagelijks mee, maar zijn er ons veelal weinig bewust van. Ik heb het over textiel. Dat de jonge textielontwerpster Clara De Vos altijd enorm aangesproken is geweest door textiel hoeft ons niet te verbazen gezien de opleiding die ze koos. Boeiend wordt het wanneer ze voor haar masterproef textiel, en ruimer spullen, koppelt aan verlies en troost. Via een duik in de literatuur, gesprekken met verschillende mensen en samenwerkingen met nabestaanden ging ze op zoek naar de betekenis van textiel en spullen in de context van verlies.
Hoe ben je op het idee gekomen om textiel te koppelen aan verlies, afscheid en troost?
Voor mijn masterproef voor de opleiding Textielontwerp moest ik een onderwerp zoeken. Wat ik altijd interessant heb gevonden aan textiel is het potentieel verhalend karakter. Textiel is superaanwezig in ons leven, waardoor het heel wat verhalen in zich draagt. Het maakt veel met ons mee: de kleren die je draagt, de lakens waartussen je slaapt… Het is ook heel herkenbaar voor mensen: iedereen heeft het. Het is onvermijdelijk aanwezig in ieders leven. Dat alles maakt textiel een heel krachtig materiaal. Vandaaruit ben ik op zoek gegaan naar reeds bestaande verhalen in textiel. Het specifieke verhaal van het London Foundling Hospital raakte me heel hard. In de 18de eeuw heerste er in Londen een sociaal-economische crisis, waardoor heel wat kinderen in de vondelingenschuif werden gelegd. De moeders werden gevraagd om een herkenningsteken achter te laten. Er werden heel verschillende dingen achtergelaten: beeldjes, hangertjes … en ook heel wat textiel. Vaak was dat textiel dat de moeders speciaal hadden meegenomen of op dat moment van hun eigen kledij of die van hun kindje afknipten. Die stukjes stof zijn bewaard gebleven in billet books. Ik vind dat een heel sterk voorbeeld van hoe textiel een verhaal kan vertellen door er gewoon te zijn. Die stukjes stof zijn niet gecreëerd om dat verhaal te vertellen, maar door de manier waarop ze bewaard zijn gebleven, dragen ze het verhaal en de emotie in zich. Ik beeld me in dat die moeders een heel specifiek stukje kiezen om uit te knippen, waardoor opnieuw betekenis ontstaat. In de billet books zie je dat ook: een bepaalde bloem of hartje is uit een patroon geknipt. Dat verhaal was voor mij de aanleiding om rond textiel en afscheid te werken met als centrale vragen: ‘Wat blijft er achter na afscheid?’, ‘Wat houd je bij?’, en ‘Wat houd je niet bij?’.
Je bent eerst in de literatuur gedoken om te kunnen vastpakken wat spullen en textiel kunnen betekenen bij afscheid en verlies. Wat was voor jou de meest treffende bevinding?
Ik vond veel literatuur over rouw en afscheid enerzijds en over de betekenis van spullen anderzijds. Maar er is weinig literatuur die de verbinding tussen die twee gebieden maakt. Ik kreeg zo het gevoel dat daar nog niet zo veel belang aan is gehecht, terwijl in beide domeinen wel af en toe anekdotische voorbeelden naar voor kwamen over het andere domein. In boeken over rouw werd hier en daar wel eens een voorbeeldje rond textiel vermeld: bijvoorbeeld een trui die je overleden oma breidde. Maar dat werd zelden uitgewerkt. De brug tussen die twee domeinen leek dus te ontbreken. Daarom heb ik interviews gedaan over verschillende vormen of situaties van verlies en de betekenis van spullen en textiel daarin. Ik wilde via gesprekken met mensen die brug maken. Ik wilde weten of spullen en textiel werkelijk betekenis hebben na afscheid of verlies en hoe mensen daar dan mee omgaan.

Hoe heb je dat aangepakt?
Ik heb tien interviews gedaan met mensen die een afscheid of verlies hebben meegemaakt. Ik heb geprobeerd afscheid en verlies daarbij zo breed mogelijk te houden. Als we praten over die thema’s gaat dat vaak over overlijden, maar er kan net zo goed verlies zitten in op pensioen gaan, verhuizen… Ik wilde ook gesprekspartners bereiken die varieerden in leeftijd en in geslacht. Variatie in geslacht dat lukte minder goed, maar variatie in leeftijd heb ik wel bereikt. Ik heb zo bijvoorbeeld een vrouw geïnterviewd van in de 80, maar even goed iemand van 24 jaar. Die verscheidenheid vond ik belangrijk, want de context waarin je afscheid neemt, is toch medebepalend. Denk maar aan de huidige consumptiemaatschappij waarin misschien minder belang wordt gehecht aan spullen. Ik wilde heel specifiek op zoek gaan naar antwoorden op de vragen ‘Wat betekenen die spullen voor u?’, ‘Welke emoties roepen die op?’, ‘Wat doe je met die spullen?’, ‘Hoe ga je om met die spullen die belangrijk zijn voor jou: heb je daar een voor jou goede manier voor gevonden, of voelt dat moeilijk voor jou?’, en ‘Evolueert dat over de tijd?’. De interviews startten met algemene vragen over hoe de geïnterviewde in het algemeen omgaat met spullen, en of spullen in het algemeen betekenis hebben of niet. In het tweede deel ging het specifiek over een verlies en de plaats van spullen daarin. Wat heb je uit die interviews gehaald? Spullen worden vaak gezien als een soort evidentie, als iets dat er sowieso is, als iets waar niet meteen aparte aandacht aan besteed moet worden, terwijl onze relatie tot spullen net behoorlijk complex kan zijn. Sommige mensen hechten veel waarde aan spullen, anderen totaal niet. Sommige spullen krijgen veel waarde, anderen weer niet. Ik hecht bijvoorbeeld veel waarde aan spullen: ik verzamel en ik heb moeite met spullen wegdoen. Terwijl mijn oma – toen mijn opa stierf – meteen al zijn spullen wegdeed. Hoe we ons verhouden tot spullen is dus erg verschillend van mens tot mens. Daarom wilde ik mensen interviewen om te kunnen beluisteren wat maakt dat je je op een bepaalde manier verhoudt tot spullen en wat het betekent als je spullen (makkelijk) wegdoet. Wil dat dan zeggen dat die geen waarde hebben? Of zit het elders? Wat de geïnterviewden duidelijk maakten, was dat de herinneringen het belangrijkste waren en dat die herinneringen gelinkt waren aan die bijzonder gekozen spullen. Die herinnering is voor heel wat mensen niet te scheiden van de spullen an sich. Sommige spullen zijn zo onlosmakelijk verbonden met die herinneringen waardoor het moeilijk is om ze weg te doen of om er een goede plaats voor te vinden. Hoewel bijna iedereen herinneringen.
Hoewel bijna iedereen herinneringen linkt aan specifieke objecten, voelt niet iedereen de noodzaak om die objecten bij te houden. Een van mijn vragen was: ‘zijn er ook spullen die je zelf niet bezit maar die je tegenkomt die je aan het afscheid doen denken?’. Eén van de geïnterviewden vertelde daarop dat zij en haar broer een auto deelden en dat zij na zijn overlijden altijd aan hem moest denken wanneer zij dat specifieke merk van auto zag. Die dame hechtte verder weinig belang aan spullen. Opnieuw: de herinneringen zijn het belangrijkste en spullen zijn een manier om die vast te houden. In de manier van bewaren zitten dan weer verschillende variaties.

Was er voor jou een interview dat is blijven kleven?
Ja, er is een interview met iemand waarvan het ouderlijke huis was afgebrand. Zij woonde daar zelf voor de brand al een tijdje niet meer. Haar moeder woonde daar alleen sinds het overlijden van haar man tien jaar geleden. Haar moeder, zo vertelde de dochter, heeft haar vader nooit kunnen loslaten in dat huis. De brand verwoestte het huis samen met alle spullen erin – gelukkig zonder gewonden. Het huis was niet meer bewoonbaar en de spullen waren ofwel verast of stonken naar de rook. Haar moeder is na die brand verhuisd naar een woonzorgcentrum, waar ze een nieuwe partner leerde kennen. Die nieuwe liefde – zo vertelde de dochter – zou nooit mogelijk geweest zijn als haar moeder nog in dat huis zou gebleven zijn omringd door alle spullen van haar en haar overleden echtgenoot. Dat is een anekdote uit een interview dat me is bijgebleven, omdat het niet alleen wijst op het belang van spullen, maar tegelijk op de moeilijke zoektocht van wat je wel en niet wil bijhouden. Het toont ook aan dat de balans rond wat goed en niet goed voor je is in deze materie helemaal niet eenvoudig is.
Op basis van die bevindingen heb je dan een praktijkluik uitgewerkt, getiteld ‘Soms wil je herinneringen kunnen aanraken’. Waar gaat dat over?
In het praktijkstuk heb ik enkel met textiel gewerkt. Ik merkte in de interviews dat spullen belangrijk zijn om herinneringen vast te houden, maar dat we vaak niet zo goed weten hoe we die spullen kunnen bewaren. Sommigen weten dat wel en dan worden die in het leven geplaatst. Anderen weten dat niet, maar voelen wel dat die spullen belangrijk zijn. Vaak worden die spullen dan bewaard in een hoekje in een kast. Dat is jammer, want de herinneringen blijven zo ook in de kast liggen. Daarom wilde ik in het praktijkgedeelte op zoek gaan naar hoe je textiel kan integreren in jouw dagelijks leven, zodat de herinneringen ook een plaats krijgen in jouw dagelijks leven.
Hoe ben je aan de slag gegaan?
Ik ben vertrokken van dat idee van het vondelingenarchief van het London Foundling Hospital. Daarin had je al die kleine stukjes stof. Dat deed me de vraag stellen of het wel nodig is om een textielstuk, waar een herinnering aan kleeft, in zijn geheel te bewaren of dat een klein stukje genoeg kan vertellen om de herinnering vast te houden. Als iemand overlijdt, dan blijft er heel wat textiel achter: een hele kleerkast. Ik hoorde in de interviews ook wel dat die hoeveelheid aan spullen en textiel een last kan zijn. Daarom wilde ik daar iets mee doen en onderzoeken of een klein stukje bewaren ook voldoende kan zijn. Misschien is dat genoeg, en hoef je niet alles te bewaren. Misschien kan je het bewerken tot iets dat een plek krijgt in je alledaags leven.
Met die vragen vertrok ik, maar zonder daarmee te willen zeggen dat het niet ok zou zijn om gewoon alle dingen te bewaren zoals ze zijn. Iedereen heeft zijn weg daarin te zoeken. En dat kan divers zijn. Vervolgens ben ik met stalen tweedehandskleding gaan experimenteren op welke manieren je textiel kan bewaren zonder het in zijn geheel te behouden, en op welke manieren je het in zijn geheel kan behouden door het in iets anders te integreren. In een volgende stap ben ik op zoek gegaan naar mensen die interesse hadden om mee te werken aan een praktijk rond textiel en verlies. Ik maakte bekend dat ik bezig was met textiel in situaties van verlies en dat ik mensen zocht die iets van textiel bewaard hadden waarvan ze niet wisten wat ermee te doen.


Welk proces doorloop je dan met de mensen die je bereikt hebt? Door al de samenwerkingen met de mensen in mijn praktijkluik heb ik een ritueel ontworpen dat uit zes stappen bestaat:
- De eerste stap is Ontmoeting. Ik leer de mensen kennen en zij mij. Daar toetsen we af of wat ik aanbied hen interesseert of past.
- De tweede stap is Delen. In deze stap worden de verhalen achter textiel gedeeld. Daarvoor ga ik naar de persoon thuis. Meestal ligt daar heel wat textiel. We gaan door die stukken en spreken over de ermee verbonden herinneringen. Aan de manier van praten, voel je welke stukken belangrijker of heel typerend zijn.
- Door die verhalen en de verdiepende vragen komt de derde stap: Verbeelding. In die stap fantaseren we samen over wat er zou kunnen zijn. Transformaties of bewerkingen kunnen divers zijn. Dat kunnen grote transformaties zijn: je knipt in een stuk waardoor je het bij wijze van spreken niet meer herkent. Ik geef dan mijn textielinzicht mee. Ik probeer bijvoorbeeld meestal niet in stukken te knippen, omdat dat definitief is. Net zoals rouw evolueert met de tijd, merkte ik ook in de interviews dat mensen anders omgaan met spullen doordat er tijd overgaat. Vanuit mijn textielkennis zoeken we dan naar alternatieven voor knippen in stukken. Als je gewoon naden kunt losmaken om ergens een zakje af te halen, dan is dat een veel minder definitieve vorm van transformeren. Het kunnen dus ook kleine transformaties zijn: een stuk aanpassen, zodat het wel je maat is, of het op een kapstok hangen tussen je eigen kleren in plaats van in een doos achteraan in de kast. Meestal maak ik dan collages, foto’s van de stukken, zodat de mensen zich een beetje kunnen inbeelden hoe het er zou uitzien. Vaak zijn er dan nog verschillende opties en kunnen we daarop verder gaan en beslissingen maken.
- De vierde stap is het Maken. Dat doe ik meestal alleen. In sommige samenwerkingen heb ik het samen gedaan met de persoon in kwestie of deels samen gedaan, maar dat hangt af van de technische moeilijkheid van de stukken.
- De vijfde stap is de Thuiskomst van het stuk. Dan breng ik het stuk weer thuis.
- Een paar weken later houd ik een Nazorggesprek, de zesde stap, om te peilen hoe het is om het stuk thuis te hebben en of er nog aanpassingen nodig zijn. Dat laatste is nog niet nodig geweest, maar dat kan dus wel.
Wat is voor jou een markante transformatie geweest?
Ik heb een samenwerking gedaan met de ouders van een vriendin van mij. Zij is 7 jaar geleden overleden aan bacteriële hersenvliesontsteking. Zij laat een papa, mama, broer en hond achter. Ik had nog steeds een goed contact met haar ouders. Ik weet dat het in het begin zoeken was welk stuk textiel we zouden gebruiken en waar we naartoe zouden werken. Na de Ontmoeting besloten we met een bepaald stuk verder te werken maar het voelde voor mij (en ik denk voor hen ook) niet aan als 100% de juiste keuze. De volgende keer dat we elkaar zagen, had haar mama een idee en dat klopte meteen voor iedereen. Dat voel je. Het gekozen textielstuk werd het T-shirt dat mijn vriendin aan had toen ze ernstig ziek naar het ziekenhuis ging. Het was een donkerblauw T-shirt met een lichtblauw vierkant op. Dat T-shirt was in het ziekenhuis kapot geknipt en nu dus onbruikbaar. We werkten met dat T-shirt verder. Ik heb in een kledingstuk van haar papa, mama, broer en hond telkens een stukje van dat vierkant uit haar T-shirt verwerkt. De ontstane gaatjes in haar T-shirt zijn dan weer opgevuld met stukjes uit de T-shirts van haar mama, papa, broer en hond. In de nazorggesprekken vertelden haar ouders dat dat T-shirt altijd iets heel triestigs was, omwille van de herinnering aan een supertrieste dag. Door de transformatie zaten zij elk met een stukje in haar T-shirt en zij ook een deeltje bij hen. Het T-shirt staat nu niet alleen meer voor de dag dat hun dochter gestorven is. Dat mogen horen, was voor mij super mooi.
De rituelen of samenwerkingen zoals je ze ook noemt, lijken me behoorlijk intense trajecten. Hoe was dat voor jou om te doen?
Veel mensen stellen me de vraag of die masterproef niet heel moeilijk of triest was om te doen. Die eerste stappen van het ritueel zijn de meest emotionele voor de mensen waarmee ik samenwerkte. In die stappen werden de verhalen gesprokkeld, waardoor de herinneringen en emoties weer opgerakeld werden. Emoties die men soms een tijdje al niet meer gevoeld had. Het waren dus inderdaad intense ontmoetingen.
Tegelijkertijd kreeg ik vooral heel mooie verhalen te horen: herinneringen van hoe een persoon is geweest, wat die vaak of graag deed… Er werd niet veel gepraat